Column 5: Bedelaars

Het smoezelige kind is het gereedschap, waarmee de bedelaarster in Kathmandu tracht mijn hart te vermurwen.
Het handje geheven, het smoeltje in geen weken gewassen en de neus voorzien van twee gestolde snotsporen, zo kijkt het me aan.
Ik loop dapper door.
De tien geboden tegen bedelaars, die wij uit Holland meekregen, wankelen.
"Ze kopen er toch maar alcohol en drugs voor." Als een mantra zeurt dit gebod door mijn hoofd. Ik word er doodmoe van.

Maar Kathmandu doet verschrikkelijke dingen met je, als je van haar gaat houden. Ik ontspande er en raakte minder op mijn hoede. Ik keek soms een bedelaar zomaar aan. Een bedelaar negeren is geen kunst, maar doorlopen als je elkaar hebt aangekeken is zwaarder. Je neemt hem dan toch een eindje met je mee.
De tien geboden kraken in hun voegen.

Een melaatse man, zijn neus en bovenlip weggevreten, gaf me een vriendelijk knikje toen ik een biljet ter waarde van 20 eurocent tussen de stompjes van zijn onderarmen klemde en verder liep. Ik zag in de gauwigheid dat zijn benen ook naar de vaantjes waren.
Na een meter was ik hem vergeten, want Kathmandu vraagt voortdurend je volle aandacht.

Een paar uur later kwam ik weer langs diezelfde plek. Ik weet dat, omdat mijn blik als vanzelf werd getrokken naar die melaatse. Hij schonk me, met zijn door lepra verschandaliseerde kop, een glimlach, zo warm en zó intens, dat ik er volledig door van slag raakte.
Wie gaf nu eigenlijk aan wie?

© Mark van Roosmalen