Column 1: Nepal

We zijn net terug van een maand Nepal-Tibet. Kathmandu is de hoofdstad van Nepal, waar auto's, motoren, koeien, fietsen, voetgangers, riksha's en honden over elkaar heen buitelen. Nergens ter wereld heeft men meer reden zich aan zijn medeweggebruiker te ergeren, maar doet men dat niet.
Het is een tekort aan agressiviteit en botheid die ik in de Nepalese cultuur waarneem. Een nationaal gebrek aan het opeisen en bevechten van het eigen gelijk. Men ziet in de medeweggebruiker een bondgenoot en slaagt er niet in hem te verheffen tot een roekeloze lomperik met stront in zijn ogen.

Deze verdraagzaamheid en tolerantie getuigt van een groot egodefect. De zucht naar materieel gewin zal zich hier nog stevig moeten ontwikkelen, wil men ook maar in de buurt komen van de Hollandse intolerantie en lompheid.
De bewoners van Nepal zijn straatarm, bescheiden en uiterst dienstbaar. Precies zoals wij, Westerlingen, het graag hebben.
Men heeft er nog dat achterlijke van onbedorven eenvoud. Dat gebrek aan méér en méér willen hebben. Ze behelpen zich vooralsnog met vreugde scheppen in gastvrijheid en beheersen de kunst van het geven en nemen.

Onze Nepalese gids, die ook al eens in Nederland was geweest, zei dat het leven in Nepal moeilijk is, maar hij schatte het leven in Nederland zwaarder in."Jullie werken ongelooflijk hard," zei hij, "maar kunnen moeilijk van de resultaten genieten omdat het nooit genoeg is." En daar kon ik het mee doen. Je kunt kennelijk in een rijk land leven en tóch arm zijn.

© Mark van Roosmalen